Een essentieel kenmerk van een democratie is het principe van politieke gelijkheid: iedere stem is evenveel waard. Toch hebben we sterke aanwijzingen dat we in Nederland geen politieke gelijkheid kennen. Een paar groepen zijn dominant. Dat is niet democratisch en moet veranderen.
De schijn van politieke gelijkheid
In een echte democratie wordt de koers van het land niet door één persoon bepaald. En ook niet door een selecte groep mensen: in een echte democratie heeft iedereen een stem en gelijke invloed op welke richting we op gaan met ons land. Op welke keuzes we maken, en hoe we onze gezamenlijke problemen gezamenlijk te lijf gaan. Dat noemen we politieke gelijkheid. Het is wat een democratie onderscheidt van andere staatsvormen.
Elke volwassene in Nederland heeft stemrecht. Je stem telt tijdens verkiezingen evenveel als die van een ander, ongeacht hoe rijk je bent of welke opleiding je hebt gevolgd. Zo lijkt het alsof we in Nederland politieke gelijkheid hebben. We hebben zo toch allemaal gelijke invloed op wie ons vertegenwoordigt in de Tweede Kamer of gemeenteraad? Maar schijnt bedriegt. Het principe van politieke gelijkheid sneuvelt zowel voor als na de verkiezingen. Dan zijn een paar groepen dominant. Daarom is politieke gelijkheid een focusgebied van stichting Voor Democratie.
De dominantie van de bedrijfslobby
Nederland kent een sterke en bijzonder invloedrijke bedrijfslobby. In gesprekken die we voerden met lobbyisten geven sommigen aan weinig moeite te hoeven doen om de Tweede Kamer te beïnvloeden. ‘Kamerleden hebben te weinig tijd om hun werk goed te doen, dus ze zijn blij met de informatie die we voor ze op een rij zetten. En vervolgens nemen ze ook vaak onze vragen en punten over’ vertelde een lobbyist ons. Kamerleden bevestigen dat aan ons.
Wie zoekt, ziet veel voorbeelden van bedrijven die de dienst uit lijken te maken in onze democratie. Van een Eerste Kamerlid die tientallen vragen van een lobbygroep overneemt tot de succesvolle lobby van gokbedrijven en de directeur van olie- en gasbedrijven die een plekje krijgen in de sollicitatiecommissie voor de toezichthouder op hun sector. En zo zijn er talloze voorbeelden van belangenverstrengeling en politieke invloed van bedrijven. Dat is alles behalve democratisch. In een democratie mag het verhaal van bedrijven zeker gehoord worden, maar horen onze volksvertegenwoordigers en overheid de belangen van Nederlandse burgers te behartigen.
De dominantie van rijke en theoretisch opgeleide Nederlanders
Dat theoretisch opgeleide en vermogende Nederlanders bepalend zijn in onze democratie wordt al lang vermoed. Uit journalistieke publicaties blijkt dat vermogende Nederlandse regelmatig aan partijen doneren, etentjes organiseren of actief zijn op belangrijke posities binnen partijen en zo informeel hun invloed laten gelden. Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat de politiek veel beter luistert naar Nederlanders met een hoog inkomen dan Nederlanders met een laag of gemiddeld inkomen.
In boeken als Diplomatiedemocratie van Bovens en Wille (2014) en Nepparlement van Hakhverdian en Schakel (2017) schetsen onderzoekers al dat theoretisch opgeleiden dominant zijn in politiek opzicht. Grootschalige empirische analyses op 291 beleidsveranderingen over een periode van 1979 tot 2012 laten zien dat praktisch opgeleiden alleen hun voorkeur vertegenwoordigd zien in democratische besluitvorming wanneer hun voorkeuren identiek zijn aan die van theoretisch opgeleiden. Met andere woorden: praktisch opgeleiden hebben in die periode vrijwel geen invloed gehad. Auteurs Wouter Schakel en Daphne van der Pas zeggen daar het volgende over:
“In de eerdergenoemde analyses bestaat de groep van hoogopgeleiden uit de bovenste 20% van de opleidingsverdeling. In die groep zitten naast universitair geschoolden ook veel HBO’ers (en soms, zeker in eerdere jaren, mensen met hoger voortgezet onderwijs). Als we deze groep verder opsplitsen blijkt dat universitair geschoolden nog beter worden vertegenwoordigd dan mensen met een HBO-diploma. Kortom, het is niet zo dat politieke invloed geleidelijk toeneemt met iemands opleidingsniveau: de hoogstopgeleiden hebben veel invloed; de rest van de bevolking weinig of geen.” (bron)
Kortom, het grootste deel van onze bevolking wordt niet goed vertegenwoordigd in Den Haag. Alleen de groep mensen met maximaal een middelbare beroepsopleiding zijn namelijk samen al tweederde van onze bevolking. Dat een meerderheid van de bevolking zo weinig te zeggen heeft is niet te rechtvaardigen.
Op naar meer politieke gelijkheid
Politieke gelijkheid is het fundament van een democratie. Die politieke gelijkheid wordt met voeten getreden buiten verkiezingstijd. De belangen van bedrijven gaan soms boven die van Nederlandse burgers. Jongeren, mensen met een migratie-achtergrond en praktisch opgeleiden voelen zich niet goed vertegenwoordigd. En de Tweede Kamer is nog lang geen afspiegeling van de bevolking. Daarbij tekenen we aan dat de voorkeuren van een groep niet altijd overeen hoeven te komen met hun belangen. Maar dat we weinig aandacht aan besteden aan de voorkeuren en belangen van deze groepen is een groot probleem. Het ondermijnt de legitimiteit van onze democratie.